(Puntentelling als bij de vorige toets. Voor vraag 14 worden 30 punten gegeven, voor de andere vragen telkens 5, behalve voor vraag 5, die 10 punten oplevert.)
1. Specifieke extinctie is gedefinieerd voor 1% g/v in 1 cm cuvet. We hebben een oplossing gemaakt van 0,05 g in 100, en die nog een factor 50 verdund, wordt dus 0,001%. De extinctie wordt dan 0,34 - 0,38.
2. Doe oplossing S in een platbodembuis. Eventuele kleur beoordelen en volgens tabel in 2.2.2 sterkte 5 aanmaken van de waargenomen kleur. Ingeval van twijfel de kleuren maken waartussen je twijfelt. Deze oplossing(en) ook in platbodembuis doen. Verticaal beoordelen. Let erop dat de buizen tot dezelfde hoogte gevuld zijn, volgens voorschrift 4 cm.
3. In het ideale geval is de rotatie nul. De 5R-vorm geeft een rotatiehoek van 35� bij een concentratie van 100 g/100 ml. We bereiken een rotatiehoek van 0,05� door een concentratie ervan te maken van 0,05*100/35 g/100 ml, dat is 0,1429 g/100 ml.
In 100 ml van de testoplossing, een vijfvoudige verdunning van opl. S, zit 1,0 g grondstof. We komen dus uit op 0,143*100/1,0 = 14,3%. (NB. Die 35� is een verzonnen waarde!)
4. Een test als die waarbij het resultaat van referentieoplossing (c) wordt beoordeeld is een system suitability test, en heeft tot doel na te gaan of het gebruikte systeem aan de verwachtingen voldoet. Een dergelijke test is opgenomen als er omstandigheden zijn waaronder het systeem onverhoopt wel eens minder goed kan werken.
5. We moeten de plaats van de piek van zopiclone oxide in het chromatogram bepalen. Die zal te vinden zijn op 1865*332/1683 mm van het startpunt, is 368 mm. De afstand tussen de pieken is dus 36 mm. De resolutie is dus 1,18*36/(5+7) = 3,5. Voldoet, want is beter dan 3,0.
6. Teken chromatogrammen met daarin twee pieken. Maak niet zo�n punt van de relatieve hoogtes, want dat is toch niet exact te voorspellen. Wel moet als retentievolgorde aangegeven worden: eerst komt ethanol , dan 2-propanol.
7. Berekening: bepaal in elk chromatogram het quotient Q van de oppervlakken van de pieken van 2-propanol en ethanol. Bereken dan voor elke testoplossing cx = Qx*f, waarin f gelijk is aan het gemiddelde van de uitkomsten van cs/Qs voor de duplo�s. Beoordeel de resultaten, en als dat er goed uitziet: middel ze. (De x staat voor "onbekende", de s voor standaard.)
8. Eerste. Kijk naar de eigenschappen: zopiclone lost nagenoeg niet in water op (wel in zuren, doch we werken bij pH=3,5!). Dat kan de reden zijn dat methode A niet wordt voorgeschreven. Voor methode B hebben we een mengsel nodig van een geschikt oplosmiddel en water. Dat lijkt ook een probleem. Resten ons de destructieve methodes, en daar is C er één van.
Tweede. Zoplicone kon wel eens complexerende eigenschappen hebben, en dan is destructie geindiceerd.
(Derde. Als er al sprake was van een geschikt oplosmiddel, dan zou het feit dat de stof licht gekleurd kan zijn, zie ook "appearance of solution", een beletsel kunnen zijn. Ook dan is destructie zinvol.)
9. De vorming van de gekleurde sulfides is pH-afhankelijk. De pH moet in het zwak zure gebied liggen om de test specifiek te maken voor de zware metalen. Er moet gebufferd worden om testoplossing en referentie goed vergelijkbaar te maken.
10. Leeggewicht van de kroes, constant, is 17,3649 g.
Na de gehele procedure (0,1 mg verschil tussen de laatste wegingen) is het gemiddelde gewicht 17,3647. Sulfaatas is dus 0,2 mg negatief. Kan dat? Ja, want is minder dan 0,5 mg, mag dus verwaarloosd worden. Sulfaatas dus nul: voldoet.
11. Van geen enkele verontreiniging (dus ook "impurity A") mag de piek in het chromatogram van de testoplossing sterker zijn dan die van referentiepoplossing (a). Dat is een 3:1000 verdunning van de testoplossing. Van impurity A is dus maximaal 0,3% toegestaan. (Dat stond onder het vierkantje.)
12. Er mag van 1 gram grondstof slechts 1 mg sulfaatas overblijven. Als deze geheel door NaCl zou zijn veroorzaakt (grenswaarde!) zou er 1 mg Na2SO4 aanwezig mogen zijn. Molmassa van natriumsulfaat is 142. Molmassa van natriumchloride is 58,5. Die ene mg natriumsulfaat komt van 2*58,5/142 = 0,82 mg NaCl. Er mag dus maximaal 0,08% NaCl aanwezig zijn.
13. Dit is een vraag naar de prioriteiten. De identiteit is uiteraard van het hoogste belang. Hoeveel ervan de patien per eenheid van de bereiding toegediend krijgt hangt verder af van het gehalte en van de optische rotatie (ofwel: welk percentage van de stof ook werkzaam is, zie vraag 3).
14.
a. Spectra identiek, dus identiteit is in orde. (First identification eist slechts IR)
b. Helderheid voldoet, want er is gehandeld als voorgeschreven en troebeling is minder dan die van referentie.
c. Voldoet, want als er geen kleur valt waar te nemen behoeft de kleurreferentie niet gemaakt te worden.
d. Rotatie lijkt ook in orde, doch hier is de nulwaarde bepaald voor water, en niet zoals voorgeschreven voor het gebruikte oplosmiddel: dimethylformamide. Herkeuren, met gebruikmaking van de correct bepaalde nulwaarde
e. Er mag met de getallen gewerkt worden, want de resolutie is groter dan 3,0 en dus in orde. Geen van de nevenpieken heeft een oppervlak groter dan 3645 eenheden, dus in orde. De pieken van 2613 en 1955 eenheden zijn weliswaar groter dan 1212, doch er mogen twee van zulke pieken aanwezig zijn. Voldoet.
f. Geen probleem, 0,6% is beneden de grenswaarde.
g. Bij de test op zware metalen moet er iets mis zijn gegaan, want de testoplossing behoort in ieder geval intensiever gekleurd te zijn dan de blanco. Test ongeldig. Overdoen. (Was het reagens in orde?)
h. In orde.
i. Corrigeer de volumina voor 1,0� temperatuurverlaging t.o.v. titerstelling. De gecorrigeerde volumina zijn groter, want bij temperatuurverlaging wordt de stof dichter, dus t2 is de temperatuur bij titerstellen. De gecorrigeerde volumina Vc zijn dan 8,259 en 7,618 ml. De correctiefactor voor het oplosmiddel (2-propanol) is (100-0,6)/100 = 0,994.
Rekenformule: gehalte = (Vc1,2*0,0987*388,8*100)/(m1,2*0,994).
Dit levert uitkomsten op, correct afgerond, van 99,0 en 98,6%. Aardige duplo's, dus middelen: uitkomst 98,8%, voldoet aan de eis. (Wie de oplosmiddelcorrectie vergeet komt op 98,4 en 98,0%, gemiddeld 98,2.)
Slotconclusie is dat aan alle eisen voldaan wordt, doch dat nog op correcte wijze gekeurd moet worden op optische rotatie. Als dat dan een voldoend resultaat oplevert kan het monster worden goedgekeurd.
29 oktober 1999
Staf Farmaceutische Analyse 5e-jaar